Zoeken
  • MIke Brouwer

“Het heeft geen zin om iemand met een bord voor zijn kop een spiegel voor te houden”

Dit is de laatste zin van deel I van het nieuwe boek van Robert Vernooy: “Van de weg naar de straat; Krijgskunst als levenskunst” (Vernooy, 2022). Tijdens de boekpresentatie op zondag 28 augustus 2022 kwam deze zin sterk naar voren. Zij trof mij omdat ik mijzelf niet in staat acht te beoordelen of iemand een bord voor zijn hoofd heeft. Om in die beeldspraak te blijven: in mijn praktijk als psycholoog lijden mensen vaak onder een bord dat zij primair zelf ervaren, en niet direct door mij wordt gezien. In hun begeleiding kan ik hen evenmin mijn spiegel voorhouden, omdat die niet vrij is van (blinde) vlekken en waas. Dat zou tot tegenoverdracht leiden. Het ligt meer in mijn taak om te zorgen dat zij hun eigen spiegel oppoetsen; hun eigen zelfreflectie verbeteren.


Het denkbeeldige bord dat mijn cliënten vaak ervaren zorgt ervoor dat hun zicht op de toekomst belemmerd wordt. Hun tijdshorizon lijkt verkort. Zij kunnen soms niet verder in de toekomst kijken dan hooguit deze ene dag, met name bij depressie. Sommigen lijken geheel versmolten (gefuseerd) met hun bord en zien weinig andere opties dan constant met hun bord in interactie te blijven; in een soort permanent gevecht.

Het helpt wanneer mensen hun bord concreter ervaren. Een depressie wordt bijvoorbeeld vaak in heel algemene termen ervaren (Koenders & Van Der Does, 2018). In die zin is het doorslaan van een bord of plank in fysieke zin, zoals in karate, een mooie aanvullende metafoor voor het bewust concretiseren van het innerlijke bord waar men tegenover staat. De fysieke ervaring van het doorslaan roept tegelijkertijd emoties op die onderdeel kunnen worden in de begeleiding. Denk aan de angst voor pijn of om te falen, of de negatieve zelfevaluaties die onder stress geactiveerd worden, zeker wanneer je een plank voor een groep moet doorslaan.


In zijn boek wijst Robert ons erop dat het beoefenen van karate - en andere krijgskunsten – ons niet alleen fysieke maar ook mentale groei brengt, bijvoorbeeld verbetering van zelfreflectie. Om dit te illustreren het volgende.

Acceptance and Commitment Therapy (ACT), als derde generatie cognitieve gedragstherapie, herkent het onderscheid tussen zelf-als-concept en zelf-als-context (Harris, 2019; Jansen & Batink, 2014). Dat zijn nogal lastige begrippen die zich eerder laten verstaan vanuit de ervaring in meditatie, zoals voorafgaande aan de karate-training, dan vanuit een theoretische verhandeling. Tegelijkertijd is theorie het enige dat we in dit betoog ter beschikking hebben; slechts een vingerwijzing, om in de lijn van Robert’s boek te blijven.


De zen-traditie die zeker in karate een grote rol speelt, brengt met zich mee dat we een onderscheid kunnen maken tussen onze gedachten en dat of degene die deze gedachten observeert. Je zou kunnen zeggen dat wat in ACT het zelf-als-context is, de positie is van waaruit gedachten worden waargenomen. “Mushin”, het niet hebben van een geest, kan zo eveneens gezien worden als zelf-als-context, los van het behoeftige zelf-als-concept. Het is duidelijk dat de huidige westerse perceptie van de geest steeds meer van de oosterse perceptie incorporeert.


Wij ervaren onszelf, of iets dat we “zelf” noemen. De laatste inzichten uit de evolutionaire psychologie duiden erop dat het hebben van een zelf voordelen voor overleving meebrengt. Aanpassing is daarin de rode draad. Het zelf dient daarbij voor zelfreflectie en vervolgens zelf-adaptatie (Baumeister & Vohs, 2003). Het hebben van een zelf opent dus de weg naar een versnelling in aanpassing wanneer genetische adaptatie te traag is, net zoals de vaardigheid om een cultuur te creëren een soort “on-top-of”-mechanisme is om aan de traagheid van de survival of the fittest te ontkomen. Zo veranderde de corona-epidemie onder andere onze manier waarop we elkaar groeten.

Zoals de ontwikkeling van een individu een afbeelding is van de loop van de evolutie, lijkt er in de ontwikkeling van het mensenkind een moment te zijn waarop het zelf zich vormt. Zet een rode stip op het voorhoofd van een kind en zet het voor een spiegel. Vanaf een bepaalde leeftijd veegt het die stip weg, indicatief voor het ervaren van een zelf. Bij sommige andere diersoorten (mensapen, olifanten, dolfijnen, mijn hond) zijn er indicaties dat zij eveneens een zelf hebben.



Het zelf is continu aanwezig. We dragen onszelf al lang mee. Zo kunnen we door de ogen van onszelf kijken toen we 5-6 jaar oud waren en kunnen we een versie van onszelf in de toekomst bedenken. Onderzoek naar deze “future selves” leert dat hoe levendiger het beeld van zo’n toekomstig zelf, hoe meer het ons motiveert dat na te streven (Carroll, 2014).

Los van definitiekwesties over wat een zelf is, weten we dat we het niet kunnen lokaliseren in de hersenen. We kunnen niet een deel wegsnijden en dan constateren dat iemand vervolgens geen zelf meer heeft. Het “zelf” lijkt gedistribueerd over verschillende hersengebieden, al dan niet beïnvloedbaar. Denk bijvoorbeeld aan de stukken in de hersenstam die ook wel de lichtknop van het bewustzijn worden genoemd. Zolang je wakker bent ervaar je het wakker zijn: het feit dat jij wakker bent. Jouw zelf is wakker. Als je slaapt en niet droomt lijkt er daarentegen geen ervaring van zelf meer te zijn, maar als we vervolgens dromen, dan dromen we weer vanuit een soort zelf.


Naast dit zelf-als-context, als relatief neutrale positie van waaruit we onszelf en onze gedachten kunnen waarnemen, ontwikkelen we zogenaamde zelfconcepten: ideeën over hoe we zijn c.q. willen/moeten zijn. Net zoals een camera geen foto van zichzelf kan maken, hebben we daarbij anderen nodig. Anderen vertellen ons hoe we (moeten) zijn. Zelfconcepten komen dus tot stand in de interactie met anderen.

Helaas zijn het juist die zelfconcepten die zich soms als een bord voor ons hoofd nestelen. Zelfreflectie kan helpen om daar beter mee om te leren gaan. Het bevorderen van zelfreflectie, de eigen spiegel oppoetsen, werkt dus via het ervaren van het zelf-als-context dat het zelf-als-concept waarneemt. In plaats van ervan overtuigd te zijn dat iemand een bord voor zijn kop heeft, kun je ook registreren dat je de gedachte hebt dat iemand een bord voor zijn kop heeft. In de zelfreflectie kijk je naar die gedachte, en kun je mogelijk zelfs registreren hoe die gedachte met je aan de haal gaat.


Tijdens de boekpresentatie nam Robert ons mee in een oefening die precies weergeeft wat hierboven bedoeld wordt, namelijk: “de boom”. De hele zaal stond (denk ik) twintig minuten met de armen vooruit alsof we een boom omhelsden. Na een tijdje begin je dat wel te voelen. Tegelijkertijd kun je in deze oefening heel goed je gevoelens en gedachten waarnemen. Vanuit het zelf-als-context kun je naar het zelf-als-concept kijken. Wie deze oefening eerder heeft gedaan zal ongetwijfeld iets hebben gedacht als: “ik kan dat wel aan” (zelf-als-concept). In mijn ogen leert krijgskunst zoals karate je bewust te zijn van dat dit maar een gedachte is, net als in ACT. Een gedachte waar je niet aan vast hoeft te houden. Waar je niet op hoeft door te borduren. Een nieuwe gedachte dient zich toch wel aan, net als een nieuwe beweging.


Om eens wat meer afstand van je zelfconcepten te nemen en wat meer psychologische flexibiliteit[1] te bewerkstelligen, kun je de zin waarmee dit stuk begint ook zingen. Misschien zit er wel een carnavalskraker in. Of je kunt het als F. Jacobse zeggen. Dat creëert ontspanning en ruimte. Je hoeft namelijk niet alles te geloven wat je denkt. Luchtigheid en ruimte behoeden ons voor terminale serieusheid. Iets waar Robert gelukkig - zeker ook in zijn boek - ver van blijft. Terwijl hij ons wel inspirerend, als een vingerwijzing, meeneemt in de zeer uitgebreide wereld van de krijgskunst.


Referenties


Baumeister, R. F., & Vohs, K. D. (2003). Self-Regulation and the Executive Function of the Self. In M. R. Leary & J. P. Tangney (Eds.), Handbook of Self and Identity (pp. 197–217). New York: The Guildford Press.

Carroll, P. J. (2014). Upward Self-Revision: Constructing Possible Selves. Basic and Applied Social Psychology, 36(5), 377–385. https://doi.org/10.1080/01973533.2014.934451

Harris, R. (2019). ACT made simple. Oakland, CA: New Harbinger Publications, Inc.

Jansen, G., & Batink, T. (2014). Time to ACT! Zaltbommel, NL: Uitgeverij Thema.

Koenders, M., & Van Der Does, W. (2018). Stemmingsstoornissen. In E. Simon, E. De Hullu, G. Smeets, & H. T. Van Der Molen (Eds.), Klinische Psychologie: Diagnostiek en Therapie. Groningen/Houten, The Netherlands: Noordhoff Uitgevers B.V.

Vernooy, R. (2022). Van de weg naar de straat. Amsterdam: Boom uitgevers.



[1] (zie https://www.actinactie.nl/flexibiliteits-index-test-fit-60/ voor uitleg en een gratis test)

6 weergaven0 opmerkingen